web analytics

Column

Column: Boekverkoper

Voor het twaalfde jaar op rij komt Stichting Elspeet met de verkiezing van Boekverkoper van het Jaar. De winnaar krijgt de felbegeerde Albert Hogeveen Bokaal, vernoemd naar een bekende en bijna legendarische boekverkoper die na 34 jaar trouwe dienst een aantal jaar geleden tijdens een reorganisatie het veld moest ruimen. Persoonlijk weet ik een beetje hoe dat moet voelen, aangezien ik na onder andere twintig jaar Schiphol en zes jaar Amsterdam Centraal Station de deuren bij AKO na vijfendertig jaar achter mij dicht trok om eind 2013 mijn eigen winkel te beginnen. Van winkels op absolute toplocaties was ik plotseling zelfstandig ondernemer in een klein buurtcentrum in Almere-Haven.

Buurtcentrum

De lokale boekwinkels in een buurtcentrum vormen de eerste verdedigingslinie van het geschreven woord. De grondtroepen, de zandhazen. Ze vechten voor iedere klant en doen hun uiterste best om de verkoop van boeken te bevorderen. Vele honderden winkels van AKO, Bruna, The Read Shop en Primera verkopen bij elkaar genoeg boeken om jaarlijks de Top 60 van het CPNB te vullen. Zonder deze aantallen verdwijnen veel boeken en auteurs in een groot, zwart gat. Natuurlijk gaat iedereen die een dagje Utrecht wil doen ook naar die geweldige winkel van Broese. Of in Den Haag naar Paagman. Naar Dominicanen in Maastricht. Venstra in Amstelveen. Dat zijn uitjes, net als Artis en het Spoorweg Museum. Die verkopen enorme aantallen maar danken hun bestaansrecht ook ten dele aan de kleinere boekwinkels. Zonder hen worden er namelijk veel minder boeken uitgebracht. Heel veel boekwinkels in Nederland zitten in een (relatief) klein buurtcentrum. Zoals Almere-Haven. Als je gaat tellen dan zie je dat het maar liefst om 80% van het totaal aantal boekverkopers gaat.

Glansrijk

Jarenlang werden deze winkels genegeerd. Als vanzelfsprekend genomen. Hoezo is een Bruna een boekwinkel? Ze hebben toch tabak en loterijen? Ook binnen het boekenvak werd er enigszins minachtend naar gekeken. Onterecht. Dat heeft de crisis tijdens corona wel duidelijk gemaakt. Ze worden gerund en bemand door fanatieke verkopers die de liefde voor boeken uitdragen naar al hun klanten. Ze doen hun uiterste best om de romans van Kluun, Giphart, Van Dis, Van Iperen en vele andere auteurs aan de man te brengen. En daar doorgaans ook glansrijk in slagen. Het doet niets af aan de kwaliteiten van de mensen die bij Broese, Donner en Paagman werken. Integendeel. Ook dat zijn toppers die worden gedreven door passie en plezier. Werkelijk iedereen speelt zijn of haar rol in een goed geoliede machine.

Trots

Bij de nominaties en winnaars van de Boekverkoper van het Jaar zie je vaak de grote boekwinkels als winnaars. Nog nooit heeft er een Primera of Read Shop gewonnen. Misschien nog niet eens genomineerd. Net zoals ze bij Ajax vaak de prijs winnen voor beste trainer. Alsof die van Sparta niet een veel grotere prestatie heeft geleverd door met zijn ploeg niet te degraderen en zelfs bijna Europees voetbal te bereiken. Veel is perceptie. Je moet echter verder kijken dan je op eerste instantie ziet. Ik zeg niet dat ik het verdien om met de prijs aan de haal te gaan. Ik voel mij niet beter dan mijn collega’s die ook zijn genomineerd. Wel ben ik trots op mijn kleine boekwinkel met omzetstijgingen in boeken van tegen de 50% per jaar. Ben ik trots op wat ik vertegenwoordig. De gemiddelde winkel in een klein centrum. Een winkel met beperkingen. Ik heb geen drie kasten met fantasy, al zou ik dat wel willen. Ik moet iedere dag knokken om te overleven. Ik ben dolblij met ieder boek dat ik verkoop. Ik weet de favoriete auteurs van mijn vaste klanten. Daar koop ik op in. Tevens probeer ik nieuwe werelden binnen handbereik te krijgen voor de mensen die mijn winkel bezoeken. Om te verrassen. Uit te dagen.

Onmisbaar

Na jarenlang vanuit een kantoor te hebben gewerkt ben ik nu acht jaar echt een klassieke boekverkoper. Op de winkelvloer. Achter de kassa. In direct contact met de klant. De nominatie beschouw ik als een eer. Ik hoop het beeldje van Albert Hogeveen in de wacht te slepen, daar durf ik ronduit voor uit te komen. Namens mijn winkel maar ook namens alle boekwinkels zoals die van mij. Klein, in een lokaal buurtcentrum. Absoluut onmisbaar.

 

Stem op je favoriete boekverkoper:

Stem voor 1 september op je favoriete boekverkoper. Staat die niet tussen de nominaties, dan zou ik het geweldig vinden als je op mij zou stemmen.

Klik hier om te stemmen.

Column: Chabot

Een aantal jaar geleden las ik het debuut van Bart Chabot. Triggerhappy. Ik vond het niet best. De schrijfstijl sprak mij aan maar het verhaal zelf was van een bedenkelijk niveau. Althans…. Dat vond ik. Voor wat het waard is. Ik schreef een recensie en kreeg later wel wat spijt van de mogelijk te felle kritiek.

Bart had ongetwijfeld zijn best gedaan. In de jaren daarna zag ik Chabot regelmatig op televisie voorbij komen en later kwamen daar ook twee van zijn kinderen bij. Met name Splinter Chabot stond op een gegeven moment volop in de belangstelling en zijn debuutroman ging ook in mijn winkel makkelijk over de toonbank. Bart Chabot had in dezelfde periode “Mijn vaders hand” uitgebracht waarop met “Hartritme” inmiddels ook een vervolg is verschenen. Het bleken autobiografische romans te zijn en aangezien ik ooit in Triggerhappy begon omdat de persoon Chabot mij wel aansprak, besloot ik enthousiast aan het levensverhaal van de auteur te beginnen.

Tot dat moment wist ik feitelijk weinig tot niets van Bart Chabot. Bril, grote ogen, duidelijk geval van ADHD. Ik moest altijd om hem lachen als ik hem op televisie zag. Niet vanwege die grote ogen, maar vanwege zijn enthousiasme. Hij sprak met zoveel vuur over alles wat hij had meegemaakt, met liefde over Herman Brood, vol passie over zijn werk en met veel genegenheid over zijn vrouw en kinderen. Hij struikelde soms over zijn woorden, zoveel wilde hij vertellen. Op mij kwam hij over als een man die alles goed voor elkaar had, genoot van het leven en daar ook alle redenen voor had.

‘Mijn vaders hand’ maakt duidelijk dat Chabot flink heeft moeten knokken voor zijn huidige geluk. Het is een heftig en hartverscheurend verhaal over een jongen die bij zijn geboorte werd opgezadeld met ouders die niet voor kinderen in de wieg waren gelegd. Ik geloof graag dat de jonge Chabot geen engeltje was maar dat doet niets af aan het feit dat hij geen enkele steun en liefde van zijn vader en moeder kreeg. Ook de leraren op school wisten zich geen raad met hem, in een tijd die op veel vlakken totaal onvergelijkbaar is met de dag van vandaag. Met prachtige zinnen doet Chabot verslag van zijn jeugdjaren en schets een tijdsbeeld die voor veel leeftijdsgenoten herkenbaar zal zijn. Het wierp mij soms terug naar mijn eigen jeugd. Ook ik kreeg regelmatig een paar tikken van mijn vader, maar niet zoals bij Bart Chabot, en mijn moeder sprong er altijd tussenin. Daarnaast toonde mijn vader genoeg tekenen van genegenheid. Hij was een kind van zijn eigen opvoeding.

Bart Chabot moest zonder hulp van zijn ouders zijn weg in het leven vinden. Dat ging letterlijk met vallen en opstaan. Het is onmogelijk om geen grote sympathie voor het jonge ventje te krijgen en je af te vragen hoe het mogelijk is dat een vader en moeder zo weinig moeite doen om hun kind te beschermen. Chabot beschrijft veel gebeurtenissen uit zijn jeugd met een heldere pen en maakt zijn eigen rol in het geheel niet mooier dan het was. Het boek eindigt als zijn eigen gezin compleet is en hij alle banden met zijn ouders heeft verbroken. Hij beschrijft nergens hoe en waar hij zijn vrouw heeft ontmoet maar duidelijk is dat hij zijn eigen gezin koestert als een man die zich zeer bewust is van de juiste weg die hij als vader moet bewandelen.

Inmiddels heb ik steeds meer spijt van mijn recensie van Triggerhappy. Weliswaar geen hoogstaand boek, maar ik heb Bart Chabot dankzij ‘Mijn vaders hand’ beter leren kennen. In vijfhonderd pagina’s is hij min of meer een dierbare vriend geworden. Een Amsterdammer en een Hagenees. De wonderen zijn de wereld nog niet uit. Ik heb hem nog nooit ontmoet en de kans is klein dat het ooit gaat gebeuren. Toch weet ik nu het een en ander over hem, stukjes en beetjes over zijn jeugd welke hij in het boek heeft prijsgegeven. ‘Mijn vaders hand’ is een zeer indrukwekkend boek, geschreven met een lach en een traan. Ik durf het een klein meesterwerk te noemen. Het vervolg, ‘Hartritme’, ligt inmiddels klaar en ik kan niet wachten om te beginnen.

Column: Henk

“Dag jongen, heb jij een paar lekkere boeken voor mij?” Een vrouw op leeftijd met een Amsterdamse tongval komt naar de toonbank. “Mijn man is de pijp uit en nu heb ik eindelijk tijd om weer lekker te lezen.

Hij was een schat hoor, maar hij leefde de laatste jaren als een kasplantje. Veel pijn en gedoe. Er was wel plaats bij zo’n hospice in de buurt maar dat wilde we niet. Het is in voor- en tegenspoed en dus ik heb zelf voor hem gezorgd. Wel zwaar hoor, daar niet van. We hebben echter veel mooie tijden gehad en werkelijk overal geweest. Rusland, Amerika, Afrika. Hij werkte bij KLM en toen kon je nog heel goedkoop vliegen.”

U ook goedemorgen……

“Nou, wat heb je voor moois voor mij, schat?”

Terwijl ze het vraagt ziet ze de tafel met boeken van Lucinda Riley. “Die moet ik niet, al dat gezemel over die zussen. Ik had er zelf zes en ze waren allemaal tegen mijn huwelijk met Henk. Ik ben de op twee na jongste en heb ze allemaal weten te overleven. Krengen waren het, echt waar. Ik hoop niet dat de hemel bestaat want ik moet er niet aan denken om ze later weer tegen te komen. God bewaar me. Het idee alleen al. Stel je voor dat Henk nu met dat stelletje aasgieren naar beneden zit te kijken. Ik krijg er gewoon koude rillingen van.”

Tja….

“Oh, dit ziet er spannend uit.” Ze loopt naar de tafel met thrillers en pakt ‘Irene’ van Pierre Lemaitre. Ook het ernaast gelegen ‘Alex’ pakt ze op. “Ja, die wil ik hebben”, zegt ze nadat ze hardop de achterkant heeft gelezen. “Hier hou ik dus wel van. Dat je niet weet wie het heeft gedaan en er dan tijdens het lezen probeert achter te komen. Zelf een beetje in de huid van zo’n politieman kruipen. Heerlijk gewoon. Beter dan al die romantische boeken. Klef gedoe allemaal.” Ze loopt verder langs de boekentafel en ziet de serie van Nicci French over Frieda Klein. Ze pakt het eerste deel en leest wederom hardop waar het boek over gaat. “Ja, die wil ik ook. Het is een serie zie ik. Uit hoeveel delen bestaat die?”

Uit acht boe….

“Ik zie het al, zeven dagen en nog een laatste deel. Dan neem ik de eerste drie delen. Dan heb ik al wat liggen en kan ik even vooruit. Anders moet ik om de dag weer naar jouw winkel lopen. Ik zie je graag hoor, daar ligt het niet aan. Een mooie winkel, ik kan niet anders zeggen. Alleen, als het niet nodig is dan is het niet nodig. Toch? Ik koop er liever een paar tegelijk. Heb je ook tijdschriften, lieverd? Wacht, ik zie het al. Eerst kijken en dan pas vragen. Dat zij Henk ook altijd tegen mij. Ik trok altijd eerst mijn scheur open zonder te kijken. Dat is gelukkig wel anders geworden. Even kijken, de Panorama of zoiets, dat heb je vast wel. Toch, zo’n mooie winkel als die van jou, die heeft vast wel de tijdschriften die ik zoek.”

Ja hoor, die staat….

“Hier zie ik hem al. Helemaal goed, jongen. Gevonden. Heerlijk dat je hier nog zo goed geholpen kan worden. Vroeger hadden Henk en ik een abonnement maar de laatste jaren kochten wij hem los. Niet ieder nummer, maar gewoon als we er zin in hadden. Als het mooi weer was en dan lekker in de tuin met een glaasje jenever. Gezellig. We hadden een mooie tuin op het zuiden en dan zaten wij daar lekker te bakken in de zon. Dan mag tegenwoordig niet meer. Nu krijg je daar huidkanker van, maar daar hadden we vroeger helemaal geen last van. Henk had altijd een bruine bol en met die blonde haren zag hij er uit als een Griekse god. Mijn zussen waren altijd stik jaloers. Dat was in Amsterdam. Nu woon ik al een paar weken in Almere. Ook leuk hoor.”

Ze loopt naar de toonbank en rekent de boeken en het tijdschrift af.

“Henk zou het hier ook leuk gevonden hebben. Heb ik al verteld dat hij dood is? Zo dood als een pier, de arme schat.”

Column: Lieke

Vorig jaar ben ik opa geworden. Daar heb ik al een keer iets over geschreven. Het liefst zou ik er iedere dag iets over vertellen, want ik ben – wat je noemt – een trotse opa.

Lieke is hard op weg om haar eerste levensjaar af te ronden. Het gaat allemaal veel te snel. Van een hulpeloos maar zeer vertederend stukje mens is ze nu een meisje met karakter en een eigen willetje geworden. Ze kruipt dat het een lieve lust is en kan schateren van het lachen. Niet uniek, miljoenen meisjes van haar leeftijd doen en kunnen hetzelfde, maar toch…. Dit is mijn kleinkind. De dochter van mijn dochter. Het eerste kind van mijn eerste kind. Van niemand op de wereld hou ik meer dan van mijn kinderen maar plotseling heeft kleine Lieke zich daar een plaats tussen weten te veroveren.

Als ze bij mij thuis komt dan kijkt ze eerst even de kat uit de boom. Haar moeder moet in het zicht blijven, anders komen de tranen en kan ze op hartverscheurende wijze uiting geven aan haar ongenoegen. Als we haar even met rust laten komt het snel weer goed, grijpt ze het speelgoed dat in enorme hoeveelheden bij ons aanwezig is en hoor je haar al snel kraaien van plezier. Onlangs brak het moment aan dat ze samen met haar moeder naar de winkel in Almere-Haven kwam. Gelukkig was het niet zo heel druk en had ik alle tijd om naar mijn kleindochter te kijken. Nooit geweten dat dit ooit nog eens een geweldige hobby van mij zou worden. Ik kan er geen genoeg van krijgen.

Vanuit haar buggy nam Lieke het interieur van de winkel in zich op. Ze leek het allemaal wel best te vinden. Met boeken en tijdschriften heeft ze als baby van krap elf maanden nog niet zoveel. Al heeft ze thuis inmiddels een aardig plankje met prachtige prentenboeken staan. Ze bekijkt de andere mensen in de winkel enigszins argwanend, maar zolang ze ook de stem van haar moeder kan horen is het allemaal geen reden tot verdriet. Ze heeft niet door dat het haar opa is die de buggy door de winkel heen stuurt. Als ze dat wist zou ze mogelijk wat tranen laten, aangezien ze nog vrij eenkennig is. Mama, papa. Dat is goed en vertrouwd. Voor de rest wil ze eigenlijk nog van niemand wat weten. Gelijk heeft ze.

Opa heeft er alle begrip voor. Ik zou Lieke graag optillen en tegen mijn borst drukken of een flesje melk geven. Misschien gekke geluidjes naar haar maken, waar ik mij vroeger altijd aan stoorde toen mijn vader dat bij mijn zoon en dochter deed. Alsof ze hondjes waren. Niet goed snik. Nu begrijp ik het echter veel beter en wil ik het ook graag doen. Ik heb echter geduld. Dat komt allemaal wel. Met de buggy door de winkel lopen is al een prachtig moment. Mijn opa had vroeger een melkwinkel in de Amsterdamse Pijp. Ik heb daar dierbare herinneringen aan. Wat zal Lieke later vinden van haar opa en zijn boekwinkel? Zal ze mijn liefde voor boeken overnemen, net zoals ik nog altijd een grootgebruiker ben van alle soorten zuivel? Het is in de supermarkt de eerste afdeling die ik bezoek. Melk, karnemelk, yoghurt. Mijn opa zou trots op mij zijn.

Nou zal ik altijd trots zijn op Lieke, of ze nu gaat lezen of niet. Ik weet niet zeker of er nog papieren boeken bestaan als zij straks volwassen is. Of er nog boekwinkels zijn. Ik hoop het wel, aangezien ik mij geen wereld zonder boeken kan voorstellen. Mijn opa wist echter ook niet dat er ooit supermarkten zouden komen die alle ‘melkboeren’ overbodig gingen maken en bijna hetzelfde deden met de groentewinkels. Sommige winkels verdwijnen geruisloos uit het straatbeeld

Na een half uurtje in de winkel werd het voor Lieke tijd om richting huis te gaan. Ik duwde nog snel een pluchebeestje van Rupsje Nooitgenoeg in haar handjes. Ze keek ernaar, twijfelde of ze het wilde hebben, keek naar haar moeder en besloot het vervolgens te houden. Een overwinning voor opa. Rupsje Nooitgenoeg. Ik weet nog veel meer leuke cadeautjes voor haar.

Een halve winkel vol…..

Column: winkelmandje

“Meneer, ik zoek dat laatste boek van ….. goh, hoe heet ze ook alweer?” Een mevrouw in de winkel kijkt mij wanhopig aan. “Ze was een paar weken geleden op televisie.” Veel meer informatie heeft ze niet. Een boek van een vrouwelijke auteur die weken geleden op televisie was. “Ik heb werkelijk geen idee meer waar het boek over ging, alleen dat het mij erg mooi leek.”

Ik loop naar de boekentafels en pak het nieuwe boek van Susan Smit, ‘De heks van Limbricht’. “Is dat het?”, vraagt ze hoopvol. Heel even overweeg ik om zo overtuigend mogelijk te knikken, maar zo heeft mijn moeder mij niet opgevoed. “Ik heb werkelijk geen idee, mevrouw. Het is geschreven door een vrouw, het is nieuw en ze is pas nog op de televisie geweest. Het zal u zeker niet tegenvallen.” Ze pakt het boek en begint de achterzijde te lezen. Ze knikt een paar keer maar ik heb niet het idee dat ze het herkent als het boek dat ze zo graag wil kopen. “Volgens mij is het erg mooi”, zegt ze uiteindelijk. “Er gaan alleen geen bellen rinkelen.” Ondanks dat geeft ze het boek niet terug maar legt het in het groene winkelmandje dat ze bij de ingang van de winkel heeft meegenomen.

Samen lopen wij langs de boekentafels op zoek naar een boek dat bij mevrouw een lampje doet branden. Ze ziet twee boeken liggen van Roy Jacobsen. ‘De onzichtbaren’ en ‘Witte Zee’. “Oh, is daar een vervolg op?”, zegt ze meteen. “Dat vond ik zo’n mooi boek.” Ze is haar zoektocht direct vergeten en pakt een exemplaar van ‘Witte zee’ van de stapel. “Die wil ik sowieso meenemen”, zegt ze meer tegen zichzelf dan tegen mij en het boek verdwijnt resoluut in het winkelmandje

Op tafel ziet ze nu het boek van Lale Gül, ‘Ik ga leven’. Over een meisje dat in opstand komt in een streng Islamitisch gezin. “Die is het niet”, zegt ze terwijl ze het boek oppakt van de stapel. “Het werd alleen wel genoemd, herinner ik mij nu.” Ook dit boek gaat in het winkelmandje. Ik vermoed dat ik nu weet welk boek zij zoekt en laat ‘De hemel is altijd paars’ van Sholeh Rezazadeh zien. Een prachtige roman over een jonge Iraanse vrouw die nog maar net in Nederland woont en hier worstelt om een nieuw leven op te bouwen. “Dat is het boek!”, schreeuwt ze bijna uit. Ze weet niet hoe snel ze het uit mijn handen moet grissen en drukt het tegen haar borst. “Wat geweldig dat u het heeft gevonden”, zegt ze terwijl ze mij dankbaar aankijkt. “Deze wil ik hebben.” Ze legt het boek snel in het winkelmandje. “Ik neem die andere drie ook”. Ze geeft mij een dikke knipoog. “Hebberig hé?” Ze kan er hard om lachen en samen lopen wij naar de toonbank.

Even later komt een andere klant de winkel binnen en ook zij pakt een groen winkelmandje. Ze slaat meteen rechtsaf richting de spannende boeken. Van afstand zie ik hoe ‘Koninkrijk’ van Nesbø en ‘Orakel’ van Tomas Olde Heuvelt in het mandje gaan. Boeken voor de vakantie, vermoed ik. Bij de toonbank ben ik bezig met het uitpakken van een aantal kratjes met nieuwe boeken. Eén van de eerste boeken die ik zie is het waargebeurde ‘Martin H.’ van Panorama journalist Vico Olling. Over een voormalige politieman die uiteindelijk de moordenaar van Klaas Bruinsma blijkt te zijn.

Terwijl ik het boek uitpak en prijs komt de klant met de boeken van Nesbø en Olde Heuvelt naar de toonbank gelopen. Ze kijkt vluchtig naar de boeken die op de toonbank liggen en als ik vraag of ik haar kan helpen, zegt ze dat ze nog een boek zoekt voor haar man. Ze gaan binnenkort naar Drenthe maar zitten dan niet in de buurt van een boekwinkel. Daarnaast winkelt ze het liefst bij haar lokale boekwinkel. Ik laat haar ‘Martin H.’ zien, dat de laatste tijd veel in het nieuws is geweest. “Oh, geweldig”, zegt ze meteen. “Dat leest mijn man altijd graag. Waar gebeurde verhalen.”

Het boek gaat in het mandje.

Een overblijfsel van de lockdown. Winkelmandjes in de boekwinkel.

Ik doe ze nooit meer weg.

Column: Paars

“Kan ik bij u pinnen?” Een vrouw met bijna lichtgevend paars haar kijkt mij wanhopig aan. Ik vraag mij in een fractie van een seconde af hoe je op een ochtend wakker kan worden en dan denkt dat het een goed idee zou kunnen zijn om de komende weken met een paars hoofd rond te lopen. Ik vertel haar echter dat ze bij ons gewoon kan pinnen. “Hoeveel kan ik hier pinnen?”, vraagt ze vervolgens, terwijl ze een sliertje paars haar achter haar oor probeert te duwen. “Dat ligt eraan hoeveel u koopt en moet afrekenen”, is mijn antwoord. “Nee, dat bedoel ik niet. Ik bedoel een geldautomaat. Heeft u een geldautomaat?”. Helaas. Wij hebben geen geldautomaat. Ze kijkt mij nu met verbijstering aan. Dat nieuws valt duidelijk niet zo goed. Ook haar gezicht begint langzaam paars aan te lopen.

“GEEN GELDAUTOMAAT????? GEEN GELDAUTOMAAT????? WAAR MOET IK DAN GELD PINNEN?”

Ze kijkt mij aan alsof ik het hoofd ben van de afdeling geldautomaten in Flevoland, totaal niet geschikt voor die taak en nodig ontslagen moet worden. “Er staan er twee buiten op straat, mevrouw”, zeg ik zo voorzichtig mogelijk. “Ik zou het gewoon daar even proberen.” Nu kijkt ze mij met iets van medelijden aan. Ze zucht diep en het weerbarstige sliertje paars haar hangt weer voor haar linkeroog. “Ik hou er niet van om buiten te pinnen”, zegt ze tergend langzaam. Alsof iedereen dat hoort te weten en het de normaalste zaak van de wereld is. “Dat is niet veilig”, voegt ze eraan toe. Ze denkt even na en vraagt dan of ze bij mij een klein bedrag kan pinnen. Ik vertel haar dat wij een jaar geleden gestopt zijn met het aannemen van contant geld. Enerzijds omdat je nergens in Almere-Haven meer geld kan storten en ten tweede vanwege alle overvallen waar veel winkels in het winkelcentrum mee te maken hebben gehad. “Ik heb dus geen geld in mijn kassa, mevrouw. Puur uit veiligheid.”

Ik heb het nog niet gezegd of haar ogen spuwen langzaam maar zeker weer vuur. “Waarom staat dat hier dan nergens aangegeven”, vraagt ze met een luide stem. Ze kijkt om zich heen in de hoop dat andere klanten haar gaan steunen. De mensen in de winkel staan echter allemaal bij de boekentafels en hebben geen interesse om zich in de discussie te mengen. Ik vertel haar kalm dat er in de winkel ongeveer twintig bordjes hangen waarop staat dat je hier alleen maar met de pin kan betalen. “Wat kan mij het nu schelen of ze jullie overvallen?”, flapt ze er woest uit. Ik voel mijn gezicht nu ook wat paars worden en hoop dat het niet besmettelijk is. “Wat is er in hemelsnaam aan de hand in de wereld?”, zucht ze nu. Het is zaterdagmiddag, ongeveer twee uur voor sluitingstijd en het lijkt mij geen geschikt moment om dat allemaal haarfijn uit te gaan leggen. Ik kijk haar daarom alleen maar zwijgend aan.

Met een vlug en ruw gebaar veegt ze het losse sliertje weer achter haar oor. Ze denkt koortsachtig na wat ze nu moet gaan doen. Ze wil geld opnemen. Dat kan blijkbaar alleen op straat. Zonder mij nog aan te kijken draait ze zich plotseling om en loopt naar de uitgang. Ik hoor haar nog wel wat mopperen, maar heb geen idee of dat aan mij is gericht. Een echtpaar dat vaker bij mij in de winkel komt, loopt ondertussen naar de toonbank. Zij kijkt mij met medeleven aan. Hij legt een stapel boeken neer en vraagt of ik er een papieren tasje bij heb. “Trek je van haar maar niets aan”, zegt hij op vaderlijke toon. “Wij komen haar wel vaker tegen en ze heeft ruzie met de hele wereld. Sommige mensen zijn altijd boos. Wat je ook doet of zegt.”

Ze rekenen af en terwijl ze naar de deur lopen, komt de vrouw met het paarse haar weer binnen. “Ik ga naar Almere Centrum”, zegt ze venijnig. Alsof ik van plan ben mij de haren uit het hoofd te trekken. “Kan ik hier mijn buskaart opladen?” Ik moet haar opnieuw teleurstellen. Nu lijkt ze echt te ontploffen.

“Wat is dit nou voor een idiote boekwinkel?”

Column: Mol

Ik heb niet zo heel veel herinneringen aan mijn eerste jaren op de lagere school. Ik woonde in Geuzenveld en zat op een lagere school die inmiddels niet meer bestaat. In de derde klas had ik een juffrouw die een vogelkooitje bij haar bureau had staan en een jaar daarvoor was er een juffrouw Uphof. Ik was bevriend met Eduard Brinkman en werd later een beetje verliefd op Ceciel Wiewel.

Volgens mij waren er de eerste twee jaar nog strikte jongens en meisjes klassen maar op een gegeven moment werd dat concept losgelaten. Veel leraren waren broeders en zusters die verbonden waren aan de nabijgelegen kerk. In de aula werden in het weekend films vertoond en kon je voor een kwartje naar Tarzan kijken. Leuke tijden. Al kan ik mij – zoals gezegd – maar fragmenten voor de geest halen. Ik weet dat ik goed was in rekenen maar wat meer moeite had met taal. Ze hebben mij echter op die school leren lezen en ik ben er de leraren nog altijd dankbaar voor. Boeken waren lange tijd niet aan mij besteed, ondanks het feit dat mijn moeder dagelijks het goede voorbeeld gaf. Het bleek een sluimerend virus, want jaren later sloeg het alsnog genadeloos toe en heeft het mij gelukkig nooit meer verlaten.

Lezen is samen met eten en drinken ontzettend belangrijk. Essentieel. Als ik wel eens vertel dat Astrid en ik ’s avonds niet overdreven veel televisie kijken, dan denken sommige mensen dat wij gek zijn. In het stenen tijdperk leven. Wie is de Mol? Temptation Island? De slimste mens? De tientallen talentenshows over zingen, bakken, dansen of schaatsen? Wij hebben er nog nooit een halve aflevering van gezien. Een groot deel van het trouwe publiek van deze programma’s zijn mogelijk de mensen die zeggen geen tijd of geduld te hebben om te lezen. Prima. Het is een keuze die je zelf maakt. Ik zal niet zeggen dat het verkeerd is. Het is ook niet zo dat ik de hele avond met een boek op de bank zit, maar ik lees wel iedere dag minimaal een half uur. Soms langer maar nooit minder. Het kan mij niet zo heel veel schelen wie die mol is en ik weet ook niet waarom je hem moet zoeken. Of wat je er mee moet doen. Ik heb, als ik andere mensen erover hoor praten, nooit het gevoel dat ik iets heb gemist. Wel kijk ik graag naar Veronica Inside en met name vanwege Johan Derksen. Een man die – net als ik – enorm kan genieten van bluesmuziek en waar ik over het algemeen enorm om moet lachen. Een man die de wereld keer op keer een spiegel weet voor te houden en gehaat wordt door duizenden mensen die nog nooit een aflevering van zijn programma hebben gezien.

Op moment van schrijven lees ik zijn biografie. Een mooi verhaal over voetbal, muziek en maling hebben aan de hele wereld. Een boek om van te genieten. Zoals ik meestal wel geniet van de boeken die ik lees. Het heeft jaren geleden mijn leven behoorlijk op z’n kop gezet. Lezen. Mijn interesse is breed. Sportboeken, romans, thrillers, fantasy, jeugdboeken. Ik lees alles wat los en vast zit, iets wat ik heb overgenomen van mijn moeder. Ik heb favoriete auteurs die ik nooit zal overslaan maar dankzij mijn eigen boekwinkel kom ik ook onbekende pareltjes tegen die mij toeschreeuwen om gelezen te worden. Een lokroep die ik doorgaans niet kan weerstaan en die mij in aanraking brengt met tot dan toe nog onbekende werelden en vaak geweldige verhalen. Daar kan wat mij betreft geen mol tegenop.

Het liefst zou ik een winkel hebben waar alleen maar boeken worden verkocht. Alle afleiding zoals PostNL, ING, cadeaukaarten, wenskaarten en kantoor- en schrijfwaren buiten de deur houden. Een klein assortiment tijdschriften. Voor de rest alleen maar boeken. Geen al te realistische droom en zeker in Almere-Haven niet echt haalbaar. Ik mag er echter over dromen. Met een klein hoekje in de winkel waar ik dan rustig kan werken aan mijn eerste roman. Tussendoor mensen adviseren en de meest prachtige boeken verkopen. Mijn kleindochter kruipend over de vloer in de richting van de prentenboeken.

Wie is de Mol? Ik heb er de tijd en het geduld niet voor…

Column: Geduld

“Zijn jullie gestopt met de verkoop van sigaretten?” Een jongen van een jaar of twintig kijkt mij met verbijstering aan. “Waar moet ik ze dan kopen? Ik kom altijd hier!” Ik moet moeite doen om niet te lachen. Wij zijn inmiddels al meer dan een jaar geleden gestopt met de verkoop van tabak. “Misschien moet je dan maar stoppen met roken”, zeg ik tegen hem. “Dan geef je dat geld vanaf nu gewoon uit aan boeken. Dat kan ook verslavend zijn.” De verbijstering verdwijnt niet van zijn gezicht. Sterker nog, hij kijkt mij aan alsof ik mijn verstand volledig ben verloren. Hij doet automatisch een paar stappen naar achteren.

“Lezen?”

Hij spreekt het woord uit op een toon die niets te raden overlaat. Er gaat een rilling door hem heen als hij terugdenkt aan dat ene boek waar hij zich op school ooit doorheen heeft moeten worstelen. “Nee, dat is niets voor mij”, zegt hij uiteindelijk. “Ik heb er het geduld niet voor.” Het ultieme antwoord van bijna alle mensen die nooit een boek lezen. Ik kan mij er persoonlijk niets bij voorstellen, maar mijn eigen vader heb ik ook nooit een boek zien lezen. Mijn moeder daarentegen verslond het ene na het andere boek. Ze was jarenlang lid van de Nederlandsche Boekenclub, bezocht bijna iedere boekwinkel die ze tegenkwam en was maar wat blij dat mijn vader altijd bereid was om weer een nieuwe kast voor haar te timmeren. De ultieme samenwerking.

Mijn niet-lezende maar wel rokende klant haalt mij uit mijn overpeinzingen. “Waar moet ik dan zijn voor mijn sigaretten?” Ik kijk hem aan of hij een grapje maakt, maar hij blijkt toch echt serieus te zijn. “Je bent nu bij de boekwinkel”, zeg ik hem. “Misschien moet je het bij de tabakswinkel verderop proberen. Of eventueel bij de supermarkt.” Hij moet er twee tellen over nadenken maar knikt vervolgens enthousiast. “Heb je dan wel twee krasloten voor mij?”. Terwijl hij het vraagt wijst hij met z’n hoofd naar de plek waar in zijn beleving een display met loten zou moeten staan. In werkelijkheid ligt er een stapel van het zojuist bekroonde boek van Jeroen Brouwers.

“Ook daar kan ik je niet aan helpen”, zeg ik hem. “Wij hebben geen loterijen, maar ook die kan je vast wel bij de tabakswinkel vinden.” De jongen neemt een extra hap adem, wil wijzen naar de display met krasloten maar ziet dan net op tijd dat die nergens te vinden is. “Boeken”, zegt hij met enige verontwaardiging. Alsof de hele wereld tegen hem is. Hij kijkt nu een beetje om zich heen en ziet nog veel meer boeken staan. “Heb je die allemaal gelezen?” Het klinkt alsof hij nu toch wel een beetje onder de indruk is. “Mijn ouders lezen ook allebei”, gaat hij verder. Zonder op mijn antwoord te wachten. “Ons hele huis staat vol met boeken. Mijn zus leest ook. Alleen ik niet. Nooit het nut van ingezien. Wat schiet je er nou mee op?”

“Helemaal niets”, zeg ik hem. “Je kan beter roken en krassen, daar steek je veel meer van op. Is ook veel goedkoper.” Hij wil het beamen, maar beseft plotseling dat hij in een boekwinkel staat. “Ja, je weet het mooi te brengen”, zegt hij met een wat onzeker lachje. Zijn blik valt schuin achter mij op een rij met klantenbestellingen. Op de omslag van het achterste boek staan Johan Cruijff, Piet Keizer, Sjaak Swart en Klaas Nuninga. De iconische foto van Paul Huf uit 1967, welke ooit de voorpagina van Elsevier Weekblad sierde. “Gaat dat over Ajax?”, vraagt hij. Het is een boek van Maarten Spanjer. Toen godenzonen niet bestonden. Over de tijd dat je nog op straat kon spelen en de voetballers nog geen koptelefoons droegen. “Dat gaat inderdaad over Ajax””, vertel ik hem. “Een heel leuk boek en vrij makkelijk te lezen.”

Ik zie hem denken. Ik heb geen idee wat voor afwegingen hij maakt. Ruim een minuut staart hij alleen maar voor zich uit en zegt hij niets. Dan kijkt hij mij weer aan. “Jammer”, zegt hij. “Ik heb er het geduld niet voor.”

Column: Lokaal

De lokale boekwinkel is bezig aan een opmars. Sterker dan ooit staan ze met hun voeten stevig in de aarde als hoeksteen van de gemeenschap. Een bruisend middelpunt binnen het buurtcentrum. Jarenlang moesten ze knokken om het hoofd boven water te houden. Werden ze binnen de boekenwereld niet serieus genomen. Grote auteurs die boeken kwamen promoten gingen aan hun deur voorbij. Je moest naar – de overigens prachtige winkels van – Donner, Broesse of Paagman. Daar aan een tafeltje zitten en op de foto met enorme stapels boeken. Je arm in een mitella om duidelijk te maken dat je veel handtekeningen had gezet. Op de foto naast de plaatselijke bedrijfsleider die zo onverschillig mogelijk voor zich uit bleef staren. Alsof het heel normaal was dat deze bekende auteur juist naar die winkel was gekomen.

Ik gun het ze van harte. De winkel, de auteur en de bedrijfsleider. Ze werken er hard voor. Ik bekijk de foto’s niet meer met afgunst en ben niet boos dat mijn winkel is overgeslagen. De tijden zijn echter aan het veranderen. Ik ben mij bewust van de omslag. Ik verkoop steeds meer boeken aangezien de klanten beseffen dat de lokale boekwinkel niet mag verdwijnen. Omdat wij veel meer op voorraad hebben dan de meeste mensen denken. Er is voor de boekwinkel veel concurrentie op het internet. Ik merk er sinds het begin van de lockdown echter steeds minder van. Mijn omzet in boeken is na een half jaar hoger dan dezelfde periode van 2020. Het heeft mede te maken met de gunfactor. Klanten weten wat de prijs onder de streep zal zijn als ze hun boeken online blijven bestellen.

Dit effect zie je bij veel lokale boekhandels. Het steunen van die ondernemers is net als het coronavirus nog lang niet verdwenen. Sterker nog: het gaat mogelijk nooit meer weg. Ik merk het ook aan de uitgeverijen. Voorheen deelde ze enthousiast taart uit bij een aantal grote en bekende boekwinkels als er van een bepaald kookboek landelijk veel was verkocht. In absolute aantallen hebben de grote winkels misschien de meeste exemplaren verkocht, maar die prestatie valt in het niet als je het vergelijkt met de lokale boekwinkels. Al die Read Shop winkeltjes waar ooit zo minachtend naar werd gekeken. Die Bruna vestigingen die niets voorstellen. Om over AKO of Primera maar te zwijgen. Sinds corona is dat verleden tijd. De consument is dolblij met de boekwinkel op de hoek en laat dat ook blijken. Ook zij hadden het jarenlang niet door. Namen het vanzelfsprekend. Net als veel uitgeverijen. Sinds corona lopen die bij mij de deur plat. “Heb je posters nodig? Zullen wij een signeersessie doen? Een boekpresentatie? Kunnen wij je nog ergens anders mee helpen? Kan ik een paar weken jouw stoepbord huren?”

Eerst dacht ik dat het kwam door mijn columns op LinkedIn en Het Boekblad. Mijn hoofd boven het maaiveld. Ik hoor het echter ook steeds meer van andere winkeliers. Mogelijk dat binnen het boekenvak het besef is ontstaan dat wij het allemaal samen moeten doen. Als één front ten strijde moeten trekken. We weten dat er nog behoorlijk wat klappen gaan vallen en dat veel ondernemers het mogelijk niet gaan redden in de naweeën van corona. Uitgeverijen en auteurs hebben door dat wij elkaar hard nodig hebben, dat iedere kop telt. Je kan als uitgever wel denken dat je net zo makkelijk je boeken via een online winkel kan verkopen, maar vergeet niet dat er straks geen boeken meer te drukken zijn als de boekwinkel niet meer bestaat. Zonder stenen winkels zal het aanbod nieuwe boeken razendsnel opdrogen en verschijnen er alleen nog maar bestsellers. Van auteurs die zich in het verleden hebben bewezen. Youp van ’t Hek, Karin Slaughter, Geert Mak. Die hebben echter niet het eeuwige leven en wat gaat er gebeuren als niemand hun plaats kan innemen?

Dat is het vooruitzicht als de zelfstandige ondernemers in een buurtcentrum het niet gaan redden. Gelukkig is dat besef er nu. Uiteindelijk gaat dat het boekenvak veranderen en gezamenlijk zijn wij over een paar jaar mogelijk sterk genoeg om het op te nemen tegen het online geweld. Daar ben ik van overtuigd. De boekhandel blijft bestaan. De doemdenkers krijgen ongelijk. De consument gaat steeds nadrukkelijker haar keuze maken.

Column: Bloedbroeders

“Die boeken van J.D. Barker zijn geweldig”. Een man komt zeer enthousiast de winkel binnen. “Ik heb ze gekocht op jouw aanraden en je had helemaal gelijk. Fantastisch.”

Een paar weken geleden kwam deze klant voor advies naar de winkel. Hij wilde een spannend boek maar kon in de winkel door de vele boeken niet echt een keuze maken. Het bracht hem in verwarring. Zoveel verschillende titels. Hij besloot het probleem te verleggen naar mij en na een paar oriënterende vragen liet ik hem het eerste deel van Barker zien in zijn trilogie over een seriemoordenaar in Chicago. “Horen, Zien, Zwijgen”. Slechts elf euro, maar ik waarschuwde hem meteen dat je na het uitlezen van dit boek direct wilt verdergaan in deel twee. Hij geloofde mij op m’n woord en besloot daarom ook “Het Vijfde Meisje” en “Vergeef Me” te kopen. Drie ongemeen spannende thrillers over rechercheur Sam Porter, die een jaar geleden ook op mij behoorlijk wat indruk hebben gemaakt.

“Ze zijn in de smaak gevallen?”, vraag ik hem overbodig. Het is altijd mooi als je feedback krijgt over boeken die je hebt aanbevolen. Hij kijkt mij met een grote grijns aan, plaatst de vingers van zijn rechterhand tegen zijn mondkapje – waarachter zijn mond zit verstopt – en maakt een kussend geluid. “Perfect”, zegt hij. “Onvoorstelbaar goed. Ik lees niet overdreven veel en wilde iets hebben voor mijn vakantie maar je hebt mij zo nieuwsgierig gemaakt dat ik meteen ben begonnen. Fantastisch. Ik heb er geen andere woorden voor.” Hij kijkt mij stralend aan. Alsof wij nu bloedbroeders zijn en er een onzichtbare band bestaat die nooit meer stuk kan gaan. “Slechts één probleem”, zegt hij. “Ik heb nu nog steeds niets voor mijn vakantie!”

Ik weet nu meer van deze klant dan de vorige keer en dus is het veel makkelijker om iets te adviseren. Ik laat zowel “Irene” als “Alex” zien van de Franse auteur Pierre Lemaître. Klassiekers. Twee uitstekende thrillers, met redelijk wat humor, maar vooral geliefd vanwege de nagelbijtende spanning. Ook “De Kustmoorden” van J.D. Barker en James Patterson wijs ik aan. Zoals wel vaker heeft Patterson de lijnen uitgezet en liet hij het uiteindelijke schrijven over aan een andere auteur. In dit geval J.D. Barker. Ik zie de ogen van mijn klant al schitteren. “Deze is iets minder spannend dan die trilogie”, waarschuw ik hem. Hij wimpelt het echter weg en maakt duidelijk dat dit boek een zekerheidje is.

Ondertussen staat hij bij de display met het nieuwe boek van Jo Nesbø. “Koninkrijk”. Het ziet er prachtig uit en je moet als liefhebber van thrillers sterk in je schoenen staan om het boek niet te kopen. “Is dit iets?”, vraagt hij nadat hij de achterkant heeft gelezen. “Absoluut”, zeg ik zonder enige twijfel. De klant knikt tevreden en heeft zijn definitieve keuze gemaakt.

“Ik neem ze alle vier”.

Een paar dagen later komt hij weer de winkel in. Hij kijkt mij enigszins schuldbewust aan. “Ik heb die twee boeken van die Franse auteur inmiddels ook uitgelezen”, zegt hij. “Wat een boeken zeg, vooral dat tweede deel. Ik kon ze niet wegleggen.” Hij haalt zijn schouders op. “Ik kon gewoon niet stoppen.” Een gevoel dat ik maar al te goed ken. “Die kleine rechercheur, die al die moorden moet oplossen!”, gaat hij lyrisch verder. “Wat een vent is dat zeg.” Ook dat kan ik alleen maar beamen. Lemaître heeft een serie thrillers geschreven rondom commandant Camille Verhoeven en die gebruikt zeer onorthodoxe opsporingsmethodes. Ook voor mij was met name “Alex”, het tweede deel, het hoogtepunt van de serie.

“Wat nu?”, vraagt mijn klant. “Over drie weken ga ik op vakantie.” Ik laat hem nu de boeken zien van A. J. Arlidge over inspecteur Helen Grace. Heerlijke boeken die zich afspelen in het Engelse Southampton en waar in ieder deel jacht wordt gemaakt op de meest gevaarlijke criminelen. De eerste vier of vijf delen kosten tegenwoordig slechts een kleine tien euro. “Doe de eerste drie maar. Als jij zegt dat het goed is, dan weet ik zeker dat ik ze ook geweldig ga vinden.”

Even later verlaat hij fluitend de winkel. Iets doet mij vermoeden dat hij vlak voor zijn vakantie nóg een keer gaat langskomen…

Scroll naar top